Foto: Jasper Schoonhoven

Jacky Ervaart

Als kind was ik al bang voor vuur. En dat is nog steeds niet veranderd. Waar kinderen helemaal wild worden van sterrenflikkers, rende ik krijsend - alsof ik al in brand stond - weg. Dit jaar kreeg mijn vriend drie sterrenflikkers in zijn kerstpakket, dus ik zag de bui al hangen; die sterrenflikkers gingen mee naar mijn ouders. Ik wist al dat dit geen goed idee zou zijn, maar neem een man maar eens zijn speeltje af. Zeker een man van 1.90 meter als je zelf maar drie turven hoog bent.

Op eerste kerstdag zaten we dus aan de eettafel bij mijn ouders en mijn vriend vond dat hét perfécte moment om een sterrenflikker af te steken. Was dus niet het perfecte moment kan ik je vertellen. Overal servetjes en papieren decoratie. Die op het moment dat de sterrenflikker flikkerde, lekker mee gingen flikkeren. Halve huis in de fik. Mijn moeder en vriend bleven rustig. Ik uiteraard niet. Al hopsend van mijn ene voet op mijn andere schreeuwde ik moord en brand (pun intended) dat DAT BRANDENDE SERVETJE À LA DIRECT NAAR BUITEN MOEST EN MET EEN BRANDSLANG GEBLUST MOEST WORDEN. Het servetje is zwart in de wasbak geëindigd. Het nasmeulende papier komt me in nachtmerries nog achterna. De rest van de dag rook ik ook nog overal brand, in plaats van kangoeroe of fazant. Blijkbaar durfde ik als kind al geen lucifers af te steken. En nu, met 26 jaar, is het iedere dag nog een strijd om mijn gasfornuis aan te krijgen. Ik verwacht elk diner nog een steekvlam of een explosie.

Als kind was ik overigens ook al bang voor water, omdat ik in alle plassen of fonteinen viel. En met mijn korte armpjes en beentjes kreeg ik mezelf niet echt omhoog geduwd. Inmiddels ben ik gelukkig niet meer bang voor water. Ik durf na 19 jaar eindelijk weer eens te douchen.

De angst voor flikkerende sterretjes bereikt met oud en nieuw altijd zijn (letterlijke) hoogtepunt. Die angst is overigens niet ongegrond, want daar worden wel meer dingen mee in de fik gezet dan alleen mijn moeders servetjes.

Meer berichten