Vroeger, toen ik nog haar had en de wereld overzichtelijk was, voetbalde ik bij Veerse Boys in Raamsdonksveer. Zoals vrijwel iedere jongen kreeg ik op zesjarige leeftijd mijn eerste voetbalschoenen. Die waren steevast zes maten te groot, zodat je er je hele jeugd mee vooruit kon. Het waren goedkope kicks met een paar naamloze streepjes aan de zijkant en veters zó lang dat je ze zes keer om je enkels moest wikkelen voordat er een strik in paste. Tegenwoordig heten die dingen De Puma Gladiator Kickexperience NT66, uitgevoerd met afschroefbare noppen, een ingebouwd navigatiesysteem voor als je zoek bent gespeeld, en een hartslagmeter die je kunt aansluiten op je computer.

Mijn schoenen kon je destijds hooguit naast de computer zetten. Als ik in die tijd op roze voetbalschoenen het Veerse veld op was gelopen, hadden mijn teamgenoten me met een ijzeren bal aan mijn nek in de sloot gegooid. Tegenwoordig ben je de held. Er bestonden toen ook nog geen ‘polyvalente spelers op het middenveld’. Je rende je gewoon het leplazarus totdat er iemand op een fluitje blies. Tactische systemen? Als men het had over 4-4-2 of 4-3-3, dachten ze dat je mijn rapportcijfers opnoemde.

Het maakte mij trouwens geen reet uit waar ik stond, zolang het maar geen keeper was. Want dán was je de pineut. Stond je op woensdagmiddag tussen twee jassen in, of twee takjes die tussen de hondendrollen waren geprikt. Als een drol tussen de drollen. En als de bal in de sloot vloog, moest de keeper vissen. Terwijl de rest in het gras ging zitten om te bespreken welke pornoboekjes er bij de benzinepomp lagen, lag de keeper op zijn buik met een tak naar de bal te slaan. Met een kikker op zijn rug.

En toen kwam die bewuste zondagochtend. Een vriendschappelijke derby tegen het eerste A-elftal van V.V. Raamsdonk. Gezonde rivaliteit tussen de twee buren, maar vanuit historisch oogpunt wist je: een nederlaag zou je nog decennia achtervolgen. Ik had de avond ervoor flink doorgehaald en verscheen met een gigantische kater te laat op het sportpark. Mijn team was al weg. Ik op de fiets naar Raamsdonk.

Daar aangekomen bleek dat Raamsdonk een mannetje tekort kwam. Of ik wilde bijspringen. Als keeper. Mijn eigen Veerse Boys-maten vonden het prima. Wat er toen gebeurde, was met geen pen te beschrijven. De drank had de verziendheid blijkbaar gecorrigeerd: werkelijk álles pakte ik eruit. De moeilijkste ballen tikte ik uit de kruising. Iedereen dacht: er is een legendarische keeper verloren gegaan. Ik zag de frustratie bij mijn eigen ploeggenoten omslaan in pure waanzin. Ze waren de wanhoop nabij.

Tot de allerlaatste minuut, stand: 0-0. Ik kreeg een terugspeelbal van een Raamsdonker. Ik bedacht me geen moment, draaide me om en rammelde de bal keihard in eigen doel. 0-1 voor mijn eigen club. Daarna ben ik als een bezetene van het veld gevlucht, de kleedkamer in, en heb de deur op slot gedraaid tot de gemoederen waren bedaard. Clubliefde gaat immers door de maag, zelfs met een kater.