Mijn dochter gaf mij ’s ochtends een knuffel. ‘Ik was het niet vergeten, hoor,’ zei ze. Ik moest even denken. O ja, Vaderdag. Ik was het zelf wel vergeten. Toen mijn kinderen jonger waren, kreeg ik tekeningen, maar die tijd is voorbij; tieners doen daar niet meer aan. Nu kreeg ik een Tour de France-tijdschrift. Ook mooi. Maar anders.
Bij ons thuis werden Vader- en Moederdag op een gegeven moment afgeschaft. Volgens mij ook rond de tijd dat mijn broertje en ik tieners waren. De reden daarvoor weet ik niet zeker, maar volgens mij had het te maken met de cadeautjes die wij aan onze ouders gaven. Ieder jaar ging ik met vijf gulden op pad om iets te kopen en negen van de tien keer kwam ik terug met een stenen beeldje van een hond. Mijn broertje had vaak hetzelfde idee. Zelf vonden wij dat wel leuk, maar na het zoveelste spuuglelijke hondenpoppetje moeten mijn ouders gedacht hebben: laten we er maar mee ophouden.
Ik belde mijn vader, maar kreeg mijn moeder aan de lijn. ‘Wacht even,’ zei ze. ‘Hij zit op zijn werkkamer.’ Ik luisterde naar haar voetstappen en hoorde een stem aan de andere kant van de lijn. ‘Met paps.’
‘Met mij,’ zei ik. ‘Ik bel even om je een fijne Vaderdag te wensen.’
‘O, wat leuk. Ja, ik zit net achter mijn bureau naar jullie oude cadeautjes te kijken.’
Toch niet naar die hondenbeeldjes?
‘Ik heb hier een papieren stropdas. Een asbak. Tekeningen.’
Gelukkig niet de hondenbeeldjes.
‘Ja, weet je wat het is?’ Ik hoorde een soort sentiment in mijn vaders stem dat ik niet zo vaak hoor. ‘Eigenlijk voel ik me niet echt meer jouw vader.’
‘Hoezo niet?’ vroeg ik een beetje ongerust.
‘Nou, ik voel me meer… We zijn nu allebei volwassenen... Snap je?’
Ik kreeg een brok in mijn keel.
‘Ik snap wat je bedoelt,’ zei ik, ‘maar pap, je blijft altijd mijn vader, hoor.’
‘Ja?’
‘Ja.’
Ik voelde dat het gesprek een emotionele kant op ging, dus vroeg ik: ‘Heb je gisteren voetbal gekeken?’
‘Ja, mooi hè?’
‘Ja, mooi, pap.’
