In de trein zit een moeder met kind. Tegenover hen een paar Kapucijnen in pij, met blote voeten en baard. Het kind fluistert de moeder iets in het oor. Als ze geen antwoord geeft zegt het tenslotte heel hard: “Mammie, wat zijn dat voor mensen?” Zegt de moeder: “Dat zijn geen mensen, dat zijn paters.”

Door Paul Spapens

Mooie anekdote, uit het leven van de Kappesienen gegrepen. In Tilburg, dat zo goed bedeeld was met ordes en congregaties van zusters, paters en fraters, waren de Kapucijnen heel erg gezien. De paters en broeders vestigden zich 1882 in het nieuw gebouwde klooster aan de Korvelseweg.

De Kappesienen vervulden een bijzondere rol in het leven van de katholieke Tilburgers: in die tijd, toen de biechtplicht nog bestond, gaven veel Tilburgers er de voorkeur aan om bij de paters-Kapucijnen te biechten omdat die veel milder waren dan pastoors of kapelaans (Roomser dan de Paus) in het uitdelen van penitentie. Daarom vind je in de schitterende kloosterkapel dan ook maar liefst zes biechtstoelen.

Vertrokken

Nog maar vrij recent zijn de laatste Kappesienen uit Tilburg vertrokken. Het klooster krijgt andere functies waarbij hopelijk het erfgoed van deze bijzondere gemeenschap goed in beeld blijft en niet wordt verdonkeremaand. Maar in 1985 speelde dat nog niet. In dat jaar werd vier eeuwen Kapucijnen in Nederland gevierd met onder meer de uitgave van een uniek boekje. In het zogeheten Bruin Brevier werd de humor van de Kappesienen opgetekend. Schrijver dezes is in het gelukkige bezit van dit verzamelwerk en daar is de anekdote (annekedoote) aan het begin van deze Prent-aflevering aan ontleent.

Niet dat de Kapucijnen zich daar iets van aantrokken, maar je kunt je voorstellen dat een doorsneemens zoals gij en ik zich wel opgelaten zouden voelen. Je kunt je de situatie in de treincoupé helemaal voorstellen. Nou, eind jaren ’60 speelde dat gevoel nadrukkelijk ook bij de Zusters van Liefde, nog een congregatie die van groot belang geweest is voor Tilburg. De jaren ‘60 waren een tijd van grote veranderingen. Ook de Zusters van Liefde ervoeren dat zo, onder andere ten aanzien van hun kleding.

De Zusters van Liefde van Onze Lieve Vrouw, Moeder van Barmhartigheid werden in 1832 gesticht door Johannes Zwijsen. De toenmalige pastoor van Tilburg zit bezijden de Heikesekerk in brons gegoten lekker van het gedruis op het Stadsforum te genieten. Als hij recht vooruit kijkt, ziet hij op de trap tussen de Schouwburg en de Concertzaal een kunstwerk dat drie Zusters van Liefde voorstelt. De gezichten zijn vervangen door beeldschermpjes. ‘Zusters in Staal’, zo heet het kunstwerk, staat symbool voor de eerste Zusters van Liefde.

Habijten

In dit kunstzinnige geval gaat het om de habijten die de zusters dragen. Het is de kleding die de zusters vanaf de oprichting in 1832 tot 1956 hebben gedragen. In 1956 kregen de zusters een andere habijt, wat strakker en met een kap die in de ogen van een leek meer leefruimte gaf en die het gelaat beter toonde. De meeste oudere Tilburgers die zich de zusters in het straatbeeld weten te herinneren, kennen ze nog van dit habijt. Maar dat hebben ze niet lang gedragen. Vanaf 1969 mochten de zusters zelf kiezen tussen het dragen van een habijt of burgerkleding. Dat maakt deze Prent van Cees Robben van 6 februari 1970 zo interessant.

De Prent laat de actualiteit zien. Toen waren net de eerste zusters in zusterkleding in Tilburg verschenen en merkte manvolk (typisch manvolk!) in het Elisabethziekenhuis, waar toen nog volop zusters als verpleegster werkten, op dat zusters ook mooie kuiten hadden…

Een zuster verwoordde haar gevoel bij burgerkleding als volgt: ‘Het was enorm wennen, maar toch denk ik dat we in lekenkleding onze eigen persoonlijkheid terugkregen. En dat was goed. Je werd echt weer jezelf. Vroeger verborg je je achter het habijt. Als je reisde in habijt dan keken de mensen alleen maar naar je. Je was een andere soort. Nu komen mensen bij je zitten praten en dan ergens in het gesprek wordt het wel duidelijk. Ik hoef niet de laatste mode te dragen. Ik moet er netjes uitzien en het moet goed zitten. Ik vergeet nooit dat ik een religieuze ben.”

Overigens, één zuster (97) is haar habijt altijd trouw gebleven. Ze draagt het nog steeds, sinds haar intrede in 1953.