‘In het Brabants landschap zijn beken een karakteristiek en onmisbaar element. Hun groene, vochtige, rijk begroeide dalen vormen als het ware langgerekte oases die de hogere gronden op schilderachtige wijze doorsnijden. Op de ontwikkeling van het cultuurlandschap, op het patroon van de bebouwing en bewoning, heeft de loop van de beken een grote invloed gehad.’

Door Paul Spapens

Deze lofzang op de Brabantse beken zijn de eerste regels in een boek dat in 1976, dus precies een halve eeuw geleden, verscheen. Jan van de Straaten uit Berkel-Enschot was een van de auteurs. Samen met Henk Moller Pilot en Peter von Meijenfeldt trokken zij gedrieën partij voor de Brabantse beek. Het kan haast niet anders of iedereen vindt beekjes, ‘strumkes’ op z’n Tilburgs, een van de allermooiste natuurelementen, samen met bijvoorbeeld de sympathieke zandpaden.

Die wil je toch geen kwaad doen! – dacht je… In de tijd dat dit boek het licht zag en waarvan nadien nog drie herdrukken verschenen, werden beken rücksichtslos gekanaliseerd, ze werden in hun diepste wezen aangetast. Het boek droeg eraan bij dat de strumkes steeds meer in ere werden hersteld. Een herstelproces dat volop gaande is.

Traagstromende laaglandbeken

Brabant telt nu nog 98 beekjes. Deze traagstromende laaglandbeken zijn uniek in de wereld. Een van de vele kenmerken van de Brabantse beek is dat deze vaak bekend is onder meerdere namen. Als je het zo bekijkt zijn er in Brabant honderden beken. Neem de Leij die een rol speelt in deze Prent van 10 mei 1962. Het jongetje haalde een nat pak in de ‘Laaj’. Waarschijnlijk ging hij kopje onder toen hij aan het dokkelen was, prachtig woord voor pootje baden.

De Leij zoals die door Tilburg stroomt begint zijn sprankelende leven in Goirle waar twee beken samenkomen: de Rovertsche Leij en de Poppelsche Leij. Gezamenlijk vervolgen ze hun weg richting Tilburg als Nieuwe Leij. Deze twee starten hun levensloop aan gene kant van de grens, ergens tussen Ravels en Weelde. In al zijn kronkelende kleinschaligheid vormt de Rovertsche Leij over een lengte van een paar honderd meter zelfs de grens tussen België en Nederland.

Als belangrijkste beek van Tilburg stroomt de Leij onder meer aan de zuidzijde van het Leijpark, voorbij aan het Elisabethziekenhuis en ‘woonlandschap‘ Leyhoeve, om onder het Wilhelminakanaal door te duiken (letterlijk, via een duiker) en verder zijn weg te vervolgen door Moerenburg. Hier wordt de Leij de Voorste Stroom en zo verder tot aan de Maas bij Den Bosch, richting De Noordzee, al stromend het bewijs leverend dat het leven van een beek eindeloos is.

Maar, was dat maar zo. De Tilburgse heemkundige Rob van Putten heeft laten zien dat Tilburg eens doorsneden was van talrijke strumkes. Het overgrote deel is verdwenen. Als er iets niet meer is, is het moeilijk je daar een beeld van te vormen. Probeer het eens bij de Hasseltse Kapel. Ongeveer op de plaats van het vroegere hotel-restaurant De Postelse Hoeve lag een ‘spuul’, een vijver en die werd gevoed door een strumke. Ter plekke is dat in geen velden of wegen meer te bespeuren. Het werd namelijk weggewerkt in de vorm van een riool.

Korvelse Waterloop

In Moerenburg, waar de Leij mooi meandert, zijn de treurige resten van de Korvelse Waterloop nog wel te zien. Je komt er als volgt. Loop of fiets vanaf de Oisterwijksebaan rechtsaf, Moerenburgseweg. En dan eerste zandpad links. Rechts daarvan liggen de resten van de Korvelse Waterloop. Volg het zandpad tot aan een brugske. Eens stak je hier het beekje over als je vanuit Berkel-Enschot naar de Trappistenabdij ging. De Korvelse Waterloop is hier gekanaliseerd. Via dit strumke werd het water van Waterzuivering Oost afgevoerd.

Zou je de resten van de Korvelse Waterloop in omgekeerde richting volgen, dan steek je de Moerenburgseweg over nabij de fraaie reconstructie van Huize Moerenburg. Vlakbij het kanaal houdt de Korvelse Waterloop ineens op te bestaan. Het gaat denkbeeldig verder aan de andere kant van het kanaal. Het zijkanaal en de Piushaven zijn uitgegraven in de bedding van de Korvelse Waterloop. Die begon ten zuidoosten van het Korvelplein nabij de Tafelbergstraat om na ongeveer 4,5 kilometer in Moerenburg bij de Koebrugseweg in de Leij uit te monden. De Korvelse Waterloop schreef op nog een andere manier typisch Tilburgse geschiedenis. Het strumke verwerd tot een van de beruchte blauwsloten, open riolen waarlangs het ongezuiverde water van de fabrieken werd afgevoerd.

In het volkslieke ‘We hèbbe de schonste stad vant laand’ werden die als volgt bezongen:

Mar we hèbbe ôk ‘nen blauwe slôot

En as ge die ruukt dan valde dôod…