In de Prent-rubriek in Stadsnieuws van vorige week stonden we stil bij het befaamde – beruchte zo men wil – Tilburgse verbod om in het openbaar carnaval te vieren. We verbonden er meteen een toeristisch uitstapje aan naar het graf in Wittem van pater Bernard Hafkenscheid. Dit laat tevens zien hoe rijk het Tilburgse carnavalsverleden is en er is veel méér op dit gebied.
Na een soort culturele volksopstand van carnavalsliefhebbers gaf de gemeente in februari 1965 een vergunning voor het houden van een carnavalsoptocht door het centrum van wat inmiddels Kruikenstad was gaan heten. Deze gebeurtenis verbrak de ban die sinds 1857 bestond. Een dramatische gebeurtenis in 1969 bevestigde dat het stadsbestuur definitief de zijde van het carnavalsvolk had gekozen.
Terugblikkend in de tijd mag je vaststellen dat het Tilburgs carnaval vanuit de basis van de samenleving is ontstaan. De Tilburger heeft zijn geliefde fisje afgedwongen. Dat is een sterk staaltje omdat het stadsbestuur toen nog deels bestond uit regenteske types, burgemeester Cees Becht voorop. Hij vond carnaval iets voor de gewone man en daar stond hij ver van af. Daar is het woord dedain voor uitgevonden. Ja, zo waren de verhoudingen zestig jaar geleden.
Eerlijk is braaf
Maar, eerlijk is braaf, hij was het die zich in 1969, na jaren van tegenstribbelen, op het bordes van het stadhuis in een boerenkiel liet hijsen. Deze gebeurtenis was van grote symbolische waarde. Als een terzijde: dit speelde zich af op het bordes van het oude stadshuis dat in 1971 werd gesloopt, een gebeurtenis waar Becht mede zijn treurige bijnaam ‘De Sloper’ aan heeft te danken.
Die boerenkiel was gekocht door de echtgenote van wethouder Ed de Grood. Hij gaf niks om carnaval, maar zijn uit Breda (Kielegat…) afkomstige echtgenote des te meer en zij ‘stuuperde’ (stimuleerde) hem. Het zou goed kunnen dat deze boerenkiel was gekocht bij de textielfabriek van Van Puijenbroek (‘De Pui’) in Goirle, onder de merknaam Havep is dit nog steeds een bekende leverancier van de blauwe kiel die al in de jaren ’30 van de vorige eeuw in Tilburg tijdens het besloten carnaval werd gedragen.
Werkdracht
Toen was voor boeren een kieltje nog een gewone werkdracht. Dat waren natuurlijk andere boeren dan Cees Robben op deze Prent van 19 juni 1970 ten tonele voert. Als je een boer liet, dan zei men: ‘Gift diejen boer unnu stoel…’ Als je de outfit van de persoon links goed bekijkt dan heeft Cees Robben hem een boerenkiel aangetrokken. De boerenkiel werd de carnavalsdracht bij uitstek als zichtbaar teken van het ‘omkeerfeest’ dat carnaval is – of was. Is dat nog steeds zo?, vragen we ons af. Een stedeling transformeerde zich tot plattelander door een boerenkiel aan te trekken.
Het is des mensen eigen dat de carnavalsvierders zich al snel door middel van hun kiel gingen onderscheiden door andere kleuren dan blauw te gebruiken. Je eigen identiteit uitdrukken heeft helemaal een hoge vlucht genomen door het fenomeen van de emblemen. Ook dat is dan weer een interessante culturele ontwikkeling. Het sterke aan volkscultuur is dat die altijd met de tijd meegaat.
Nou wil het geval dat de eerste carnavalskielen in Tilburg wit waren. Technisch gezien is wit geen kleur. We noemen die eerste carnavalsdrachten kielen om in de pas te blijven van het onderwerp van deze Prent-aflevering. Maar die eerste kielen waren de witte koorkleden van priesterstudenten en ook de superplies van misdienaars. Honderden jaren geleden gingen zij op Vastenavond zingend langs de deuren, te vergelijken met het Driekoningenzingen.
Gezag van de clerus
In 1856, toen Tilburgse jongelui het gezag van de clerus trotseerden omdat ze zich het carnaval niet af wilden laten nemen, werden ‘onbeduidende straatjongens’ gesignaleerd in een wit hemd. Daar zijn nog meer historische voorbeelden van te geven. Je zag toen ook een overgang naar andere verkleedkleding die werd geleend (of gekocht) van toneelvereniging van de NK Harmonie. Het ging hier om kleding die werd gedragen tijdens blijspelen…
Om het verhaal van de kiel in Tilburg te voltooien brengen we nog ffkes het Kielenbal in herinnering. Dit werd voor de eerste keer gehouden in 1969 in de Stadssporthal en ontwikkelde zich in de negen jaar van het bestaan tot het grootste carnavalsevenement dat Tilburg ooit heeft gekend. En, net als carnaval, vanaf de basis ontstaan, dankzij bevlogen vrijwilligers als Louis Smits, Joop van Geffen, Wim Groels, Kees en Frans Verbunt – de tonprater, maar dat is een verhaal voor een volgende keer.
