Het was in de Tuinstraat, laat in de avond en je had haar al maanden niet gezien. Natuurlijk had het eerder gekund. De wereld is klein en Tilburg nog kleiner. Je kende haar plekken, haar patronen maar moest je beheersen eraan toe te geven. En je had gedacht aan haar, hoe ze nonchalant mooi kon zijn met golvend haar en sleetse spijkerbroek. De stad is grijs en de meeste mensen vallen weg als decor. Maar zij lichtte op en het was niet haar huid of donkere ogen, nee, in het geheel was zij het middelpunt en alles draaide om haar, de ster op het podium. Dat moest iedereen toch hebben gezien? Maar iedereen zag dat niet, toen niet en nu niet, nu ze er plots weer was en ze nog steeds die gloed om haar heen had.
Je was week en moest jezelf vermannen terwijl zij kalmpjes staarde. Als de binding van liefde wegvalt word je weer twee losse personen, langzaam wordt het een herinnering en met geluk lost de ander op in het decor en het ging wel prima zei ze, alles hetzelfde met de spullen en dingen en je ervaarde dat zelf ook wel zo en dacht aan alles wat toch fout was gegaan en snapte het niet als je haar zo zag. Ze had haar ogen kapot gehuild maar was ook zo klaar met mannen en hun halve emoties: als het verdriet restte moest je er gewoon doorheen beuken. Ze kon weer lachen, was al twee vriendjes verder en jij moest ergens echt voor gaan, niet alles overdenken.
Ze wilde weg. Ze zei het eigenlijk al drie keer. Niet naar een feest of vriendin maar naar huis om daar zonder jou te zijn. Je had nog vragen over het grote waarom en hoezo maar wist ook wel dat het weinig uithaalde. Je zou maar heen en weer lopen daar in de Tuinstraat, waar morgen weer anderen zouden zijn, elkaar passerend, richting het centrum of ervan af en misschien was het daarom nodig het helder te krijgen, te leren over de glans en het grijs, hoe iets kon oplichten en verdwijnen en het te weten, voor jezelf of voor de mensen die er soms liepen.
