Zo’n 25 jaar geleden ging ik met wat vrienden stappen in Breda. "Zullen we naar de karaokebar gaan?", vroeg een van hen. Dat was weliswaar tegen dovemansoren gezegd, want ik had een intense teringhekel aan karaoke. In mijn optiek was dat typisch iets voor mensen met te veel alcohol en te weinig zelfreflectie. Mensen die met een schorre keel ‘I Want to Know What Love Is’ van Foreigner staan te verkrachten, terwijl een dronken meute applaudisseert voor de valsheid.
Ik was getraumatiseerd. Ooit had ik mijn buurvrouw een kwartier lang Wuthering Heights van Kate Bush horen krijsen tegen haar eveneens laveloze vriendinnen. Ik had dat destijds ondergaan én overleefd. En nu wilden mijn eigen vrienden me vrijwillig zo'n martelkamer in sleuren. Ik hield de boot flink af, maar mijn maten waren ongenaakbaar. Wat denkt u? Vijf minuten later stonden we binnen.
Het was er stervensdruk. Op het podium stond een vrouw in haar eentje Bohemian Rhapsody te gillen. Vooral het meerstemmige ‘Galileo, Figaro, Magnifico!’ zorgde voor acute plaatsvervangende schaamte. Ze deed alle stemmen zelf. Ook de echo. Op zich knap, maar dat ze het héle nummer lang met een indringende blik naar mij bleef staren, maakte het ongemak compleet. Dat begon al bij ‘Is this the real life? Is this just fantasy?’. Mijn maat stootte me aan: "Jij vindt dit leuk hè, Andy? Je staat te genieten van die aandacht." Welnee, ik stond gewoon keihard blue te zijn.
Maar goed, deze column zou natuurlijk nergens naartoe gaan als ik braaf aan de bar was blijven nippen. Jullie wachten allemaal op het moment dat de drank regeert en ik die bühne bestijg. Dat moment kwam. Een half uur en vier bier later hoorde ik plotseling mijn naam door de speakers galmen. Mijn vrienden hadden me stiekem opgegeven voor ‘Telegraph Road’ van Dire Straits. Een subtiel nummertje van 14 minuten en 18 seconden.
Tot mijn eigen verbazing ging het vlekkeloos. De donkere, gortdroge stem van Mark Knopfler zat me als gegoten. Dat de kroeg aan het einde van mijn marathon nog maar halfvol was, negeerde ik voor het gemak. Ik werd overmoedig. "Zou het niet leuk zijn als ik een duet doe met die Bohemian Rhapsody-meid?", riep ik onbevreesd.
Nog geen tien minuten later stonden we samen op de bühne. Zij had het nummer uitgezocht: ‘Paradise by the Dashboard Light’ van Meat Loaf. Dit keer was er geen applaus, maar werd ik door mijn eigen vrienden openlijk en keihard uitgelachen. Ik snapte er niks van; ik ging er immers vol in.
Pas in de taxi terug naar Raamsdonksveer hoorde ik de pijnlijke waarheid. "Het was op zich niet heel slecht, Andy", lachte een vriend, "maar je zong ook háár partijen". Ik had dus met de ogen dicht bezield in de microfoon staan gillen: ‘Stop right there! I gotta know right now! Do you love me? Will you love me forever?!’
Sindsdien doe ik niet meer aan karaoke.
