Door Paul Spapens

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer

Kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.

Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,

En wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.

O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer…

Dit zijn regels uit het gedicht ‘De moeder de vrouw’ dat Martinus Nijhoff schreef in april 1934. Dat was een paar maanden na de opening van de verkeersbrug over de Waal bij Zaltbommel. Deze Bommelse Brug werd in 1996 vervangen door een nieuwe. Als je deze prachtige brug passeert lees je in grote letters Martinus Nijhoffbrug. Deze eer dankt deze dichter aan de befaamde eerste regel van zijn gedicht ‘De moeder de vrouw’:

Ik ging naar Bommel om de brug te zien

Sinds dit bijna een eeuw oude gedicht is ‘moeder de vrouw’ een begrip geworden, al hoor je het tegenwoordig niet vaak meer. Mannen van vroeger – onder andere onze pa van schrijver dezes - noemden hun echtgenote doorgaans niet bij hun voornaam, maar spraken bijvoorbeeld van ons moeder, moeder of mamma. Op die manier lieten ze blijken dat ze het niet over hun eigen moeder hadden, maar over hun vrouw: moeder de vrouw. Maar deze uitspraak kreeg ook een veel diepere betekenis, een van genegenheid en zeker ook sprak daar de vroegere rolverdeling uit tussen vrouwen en mannen.

Diep respect

Een paar weken terug publiceerden we in deze rubriek een Prent van Cees Robben over de ‘Lèpkesmèrt’ van D’n Besterd. Deze aflevering riep meer reacties op dan te doen gebruikelijk. We maken ffkes van de gelegenheid gebruik door te verzekeren dat alle reacties steeds welkom zijn, dat ze keurig worden bewaard en dat we er, als dat zo uitkomt, gebruik van maken in deze rubriek. De aflevering over de Lèpkesmèrt riep veel warme herinneringen op, getuigend van diep respect, aan het vele werk dat Tilburgse moeders hebben verzet om hun huishoudens met weinig middelen te bestieren en hun kinderen in arme omstandigheden een mooie toekomst te geven.

Cees Robben heeft veel Prenten gemaakt waarin de Tilburgse moeder de vrouw een krachtige hoofdrol speelt. We kozen voor deze Prent van 12 november 1982 omdat deze een opmerking van Jan Wilborts (1953) mooi in beeld brengt. Hij herinnerde zich wat zijn vader altijd tegen zijn moeder zei: “Zorgde gij voor binnen, dan zorg ik voor buiten.” Zo was precies de situatie. Het punt is echter, dat wat je buiten doet in het zicht is van de goegemeente. Mannenactiviteiten vielen dus op, in tegenstelling tot de binnenactiviteiten van de moeders, die ondertussen uit het zicht van buiten binnenskamers grote gezinnen draaiende hielden. Of zoals Krelis Swaans (1944), heemkundig geweten van de Hasselt, dat schreef: “Als iemand een standbeeld verdiend heeft is het de Tilburgse huisvrouw.”

Hij komt tot deze slotsom nadat hij heeft beschreven van wat zijn moeder met een gezin van ‘9 man’ (met 7 kinderen dus) zoal klaarspeelde. We doen een greep: Zondagavond de was in de week zetten. Maandag wassen, spoelen, drogen en vouwen. Dinsdag invochten, strijken en terug in de kast. Ondertussen gingen de zorg voor zorg voor de basisbehoeften natuurlijk ook gewoon door. Op woensdagochtend het wekelijkse uitje naar de mèrt om groenten en stof te kopen want op donderdag kwam de naaister om kleren te herstellen en van de gekochte stof op de Lèpkesmèrt bloezen en broeken te maken. Op vrijdag de hele keuken schoongemaakt en de voorgevel gewassen, want op zondag moest alles blinken.”

Op de Besterdsemèrt

Ook voor de moeder (vijf kinderen) van de op de Heikant gebouwen Jan Wilborts was een bezoek aan de Lèpkesmèrt een uitje. Zeer kenmerkend voor de gebondenheid aan huis van een vrouw als zijn moeder was de vraag die geregeld werd gesteld: “Waar is ons moeder?” Antwoord: “Op de Besterdsemèrt.” Ze deed daar niet alleen stofinkopen voor haar eigen gezin, ze was ook naaister. Ze ging bij mensen aan huis kleding naaien, zoals door Krelis Swaans beschreven.

Jan Wilborts: “Als we kapotte kleren hadden, en dat gebeurde nogal eens, zei ze dat ze woensdag op de Lèpkesmèrt zou kijken. Als ze dan niet de juiste stof had gevonden, moest je zolang maar iets anders aantrekken. Onder geen voorwaarde mocht je met kapotte kleren naar school. De kinderen altijd netjes gekleed, daar legde onze moeder en alle Tilburgse moeders veel eer in.”

Een pleidooi: Driekoningenzingen is een helaas zo goed als helemaal verdwenen traditie die is erkend als belangrijk immaterieel erfgoed en daarom een vermelding heeft op een landelijke lijst. Laat iemand of een organisatie de Lèpkesmèrt en alles wat daarmee samenhing aanmelden voor deze lijst. Dat zou een eerbetoon zijn aan de Tilburgse moeder de vrouw!