Ik weet nog dat ik het nummer ‘Wonderwall’ van Oasis in 1995 op televisie zag. Een clown die een vinylplaatje opzet. Noel Gallagher op een stoel met zijn gitaar. De snerpende stem van Liam Gallagher. John Lennon-zonnebril. Tamboerijn. Verschrikkelijk.
Er groeide vanaf toen een Oasis-haat in mij. De irritante, zeurende stem van de zanger. De overdreven arrogante houding. Het overduidelijke jatwerk van The Beatles. Misschien was het ook omdat ze niet van de radio en de televisie weg waren te slaan. Overal was Oasis. Er was geen ontkomen aan deze Britse ellende.
Zo’n vijf jaar later begreep ik het pas en hoorde ik de kwaliteit van de muziek. Ik werd fan. Toch kwam het er nooit van om naar een concert te gaan. Het was dan ook balen toen de gebroeders Gallagher in 2009 met ruzie (iets met een stuk fruit dat Liam naar Noel gooide) uit elkaar gingen. Ik zou ze nooit meer live gaan zien.
Vijftien jaar lang spraken de broers elkaar niet. Mijn vreugde was dan ook groot toen vorig jaar bekend werd dat ze het weer hadden bijgelegd. Ze kondigden shows aan in Engeland en Amerika. Mijn gevoel zei me dat ze dan ook wel naar Europa zouden komen, dus kocht ik nog geen ticket. Na de concertreeks bleef het echter stil. Ik begon me zorgen te maken, maar een paar maanden terug maakten ze bekend dat ze weer gingen spelen. Deze keer zou ik het niet aan mij voorbij laten gaan, maar dat bleek nog niet zo makkelijk.
Eerst moest ik mij inschrijven, want vanwege de absurd hoge gewildheid zou er geen reguliere kaartverkoop plaatsvinden. Om te bewijzen dat ik een echte Oasis-fan ben, moest ik zelfs aangeven welk album in 1995 uitkwam ([What’s the story] Morning Glory?). Toen was het wachten op een link en een code. Met de link kon ik op een zaterdagochtend om half acht naar een wachtruimte, waarna ik na een half uur met de code kon inloggen en plaats kon nemen in een wachtrij met 2.122 mensen voor mij. Uiteindelijk was ik aan de beurt en mocht ik mijn kaarten kopen. Mad fer it!
