Sommige dingen kun je voorblijven, denk ik altijd maar. Toen het Nederlands elftal onlangs werd uitgeschakeld op het WK, heb ik simpelweg de televisie niet aangezet. Als gelouterde Oranje-kijker heb ik inmiddels genoeg WK-trauma’s op mijn ziel staan om te weten wanneer ik mezelf in bescherming moet nemen. Die legendarische, vernietigende goal van de Spanjaarden in 2010? Ik heb hem tot op de dag van vandaag nog geen enkele keer op een beeldscherm voorbij zien komen. Bewuste blindheid als overlevingsstrategie.
Mijn trauma begon op 7 juli 1974. Mijn vader was 43 jaar oud, ik was een menneke van zeven. Duitsland-Nederland was gespeeld. Het is een gebeurtenis die zich onuitwisbaar in mijn geheugen heeft gegrift, niet eens vanwege het voetbal zelf, maar vanwege wat het met mijn held deed. Mijn vader stopte die middag zijn verdriet onder alle stoelen en banken. Het liefste was hij op dat moment waarschijnlijk even helemaal geen vader geweest en had hij als een kind in een hoekje willen zitten janken. Voor een zevenjarige is het ondraaglijk om te zien hoe je almachtige vader zijn uiterste best moet doen om zijn tranen te verstoppen. ‘Ach,’ zei hij met een trillende stem, ‘er zijn ergere dingen dan een WK-finale niet winnen.’
Op 5 december 1989 is mijn vader heengegaan. Maar als je destijds lang genoeg naar zijn grafsteen staarde, dan zag je daar in onzichtbare letters 7 juli 1974 op staan. Want hoezeer hij daarna ook nog intens van het leven heeft genoten; op die noodlottige zomerdag in München ging hij diep van binnen eigenlijk al een klein beetje dood.
Het wiel van de tijd draait onbarmhartig door. Op 11 juli 2010 werd de geschiedenis met een angstaanjagende precisie herschreven. Nu was ík de vader van 43, en mijn eigen zoontje was zeven jaar oud. Spanje-Nederland was gespeeld. En daar zat ik, in exact dezelfde valstrik van het lot. Ik stopte mijn verdriet onder alle stoelen en banken, wilde even geen vader zijn en snakte naar een hoekje om te janken. Mijn aangeslagen kleine vriend kon het maar moeilijk verkroppen om te zien hoe zijn vader vocht tegen de tranen.
De volgende ochtend liepen we samen, hand in hand, op weg naar zijn school. Het viel niet mee om de loodzware herinnering aan die ene, cruciale Spaanse goal van ons af te schudden. We zeiden niet al te veel; zonder woorden begrepen we elkaar volkomen. Ik hoorde mezelf de echo van mijn vader herhalen: ‘Er zijn ergere dingen.’ Maar voor hem was er op dat schoolplein even helemaal niets ergers denkbaar. Hij mompelde nog wat over onze keeper en over een niet gegeven hoekschop, gaf me een snelle kus en rende het plein op.
Niet veel later stond ik in gedachten verzonken, met een brok in mijn keel, bij het graf van mijn vader. Ik staarde naar het zerkje en besefte dat dertig jaar voetballeed ons onlosmakelijk met elkaar verbindt. Ik keek omhoog en dacht: pa, deze nederlaag nemen ze ons mooi niet meer af.
