Laten we eerlijk zijn: de wereld van vandaag lijkt soms op een filmset waar de regisseur de controle volledig kwijt is. En midden in die chaos staat daar de man die al vijftig jaar mijn muzikale geweten is: Bruce Springsteen. The Boss. De artiest die mij leerde dat je ‘hard, hungry en alive’ moet blijven, zelfs als de jaren beginnen te tellen.
En wie besluit er om fel uit te halen naar mijn idool? Donald Trump. De man die momenteel de politieke arena domineert, noemt Bruce een ‘totale loser’ en maakt snerende opmerkingen over zijn uiterlijk, waarbij hij hem zelfs vergelijkt met een uitgedroogde pruim. Het is een bijzonder schouwspel: een clown van een vastgoedimperium die een rockicoon aanvalt op basis van zijn uiterlijk en zijn saaie stem.
Terwijl Trump oproept tot een boycot van de te dure concerten van Springsteen, staat Bruce daar in Minneapolis simpelweg zijn hart te luchten. Met de passie die ik vorig jaar nog bij een concert in Frankfurt zag, omschreef hij de huidige koers van de Amerikaanse regering als corrupt en incompetent. Het publiek reageerde met een overweldigend gejuich. Want waar velen in de journalistiek hun woorden zorgvuldig wegen uit angst voor vergelding, kiest Springsteen voor de frontale aanval. Hij wijkt niet voor kritiek of dreigementen over zijn status in zijn eigen vaderland.
Het is een bizar schouwspel om te zien hoe deze wereldleider, terwijl de juridische stormen om hem heen razen, zijn prioriteiten stelt bij de gordijnen en het marmer van een nieuwe, gigantische balzaal in het Witte Huis. Het is beangstigend dat een man die de wereldgeschiedenis herschrijft door oorlogen te pamperen vanachter zijn bureau, ondertussen ruzie maakt met architecten over de vraag of het goudbeslag wel glanzend genoeg is.
Ook een bijzonder fenomeen: Amerikanen die op sociale media moord en brand schreeuwen omdat een kaartje voor The Boss drieduizend dollar kost. ‘Bruce is een verrader van de arbeidersklasse!’ roepen ze, terwijl ze ondertussen hun pick-uptruck voltanken voor een bedrag waar je vroeger een kleine tweedehands auto voor kocht. Blijkbaar is 150 dollar extra per maand aan benzine een offer voor het vaderland door het beleid van hun idool Trump, maar 200 dollar voor een avondje cultuur is een misdaad tegen de menselijkheid.
Trump-fans vinden Springsteen arrogant omdat hij in een privéjet vliegt, maar vergeten dat hun eigen leider ondertussen een balzaal van 400 miljoen dollar in het Witte Huis laat bouwen terwijl ze aan de pomp staan te huilen. De prijs aan de benzinepomp onder Trump sneller stijgt dan de hartslag van een fan die een gitaarplektrum van Bruce vangt.
In een tijd waarin de VS lijkt te balanceren op de rand van grote politieke verschuivingen, is het verfrissend om iemand te zien die de ‘Land of Hope & Dreams’ letterlijk neemt. Bruce is mijn verlengstuk op dat podium. Hij verwoordt de frustratie en de hoop van een generatie die gelooft in integriteit boven intimidatie. Springsteen zegt nu ook nog eens wat ik al jaren denk. Maar niet durf te zeggen. Daarom zet ik het maar op papier.
