Ik heb me altijd oprecht verbaasd over die schokkende documentaires over rechterlijke dwalingen. Je kent ze wel: van die vederlichte, overduidelijk onschuldige burgers die na urenlang psychologisch boren in een muf verhoorkamertje ineens met trillende handjes bekennen dat ze de plaatselijke juwelier hebben omgelegd. Dit alles in de naïeve, kinderlijke veronderstelling dat de rechter later wel vakkundig zal inzien dat ze er eigenlijk helemáál niks mee te maken hadden.
Ik lachte daarover vroeger altijd hardop. Totdat ik onlangs in een ijskoude kleedkamer in Giessen stond en aan den lijve ondervond hoe hard de beïnvloeding van een gijzeling werkelijk kan toeslaan. Mijn eigen, zware misdaad? Een optreden dat zó onbeschrijflijk, historisch slecht was, dat het morele wetboek er spontaan van in de brand vloog.
Het begon allemaal met een regionaal bekende tonprater die zenuwachtig trekkend aan zijn peukje voor me stond te ijsberen. "Kom je oorspronkelijk uit Hank?" vroeg deze plaatselijke hobbykletser aan mij. "Nee, uit Raamsdonksveer", antwoordde ik nog uiterst vriendelijk. "Maar je wóónt wel in Hank?" ging hij dapper door. "Nee, ook niet", zuchtte ik. "Ik ben geboren en getogen in Raamsdonksveer." De goede man hoorde het niet en begon over het Keiebijters Kletstoernooi in Helmond te oreren. "Ik volg dat op de voet, maar ja, daar wint altijd iemand uit Helmond. Daar hebben jij en ik niks te zoeken." Ik wilde zeggen dat ik daar al wel eens gewonnen had, maar ik dacht, laat maar. Laat ik eerst hier maar eens fatsoenlijk presteren. "Zal ik jou na afloop van mijn optreden meteen aankondigen?" vroeg hij. Ik zei dat ik het een uitstekend plan vond.
Nadat hij een zeer verdienstelijke thuiswedstrijd op het podium had weggezet, kwam hij met het zweet op zijn voorhoofd terug de coulissen in gerend. "Ik ben je naam even vergeten, jongen." "Andy Marcelissen!" zei ik nogmaals heel duidelijk. "An-dy Mar-ce-lis-sen!" "Oja! En heb je wel eens iets gewonnen in Hank?" Ik moest er gewoon om lachen en zei: "Nee, ik heb daar nog nooit mee gedaan."
"Juist ja", knikte hij en hij schuifelde terug naar het podium. Waarna de luidsprekers oorverdovend kraakten: ‘Hier is ie dan…, ik ben zijn naam even kwijt, maar een groot applaus voor de beste tonprater uit Hank!’
Mijn optreden dat daarop volgde, was een totale, artistieke catastrofe. De grappen vielen als bakstenen in de modder. Het was zo verschrikkelijk slecht dat ik de Veerse eer direct in acuut gevaar zag komen.
Toen ik na afloop met het schuim op de kaken naar buiten vluchtte, werd ik bij de klapdeuren direct klemgezet door een plukje rokende toeschouwers. Ze keken me meedogend aan en vroegen met een zwaar accent: "Woon je al lang in Hank?"
Op dat moment knapte er iets in mijn brein. Het werd me te veel. Ik wilde alleen nog maar naar huis, weg uit deze ellende. Ik gaf me onvoorwaardelijk over, offerde de geografie op en nam de schuld op me. Ik snelde naar mijn auto, gooide mijn koffer op de achterbank, draaide me om naar de getuigen en riep: "Sinds drie jaar!"
