’t Is voorzeker en gewis, dat Van Gils Primus is.
Door Paul Spapens
Het is al vaker vastgesteld in deze rubriek, Tilburgers zijn meesters in stukskes voordragen en rijmelarijen. De rijmende zin waarmee deze aflevering van de Prent-rubriek in Stadsnieuws begint was een eerbetoon aan Anthonius van Gils. We kennen hem beter als Primus, die van de Primus van Gilsstraat en – Park. De straat loopt tussen de Piusstraat en Bisschop Zwijsenstraat. Op de hoek staat een van de markantste woningen van Tilburg, naar goed Tilburgs gebruik voorzien van een bijnaam: de Duikklok.
Primus van Gils kreeg zijn straatnaam in 1881. Dat was 47 jaar na zijn dood in 1834. Het was logisch dat naar hem een straat werd genoemd. In de eerste plaats heeft hij veel voor de katholieke kerk betekend en dat in een tijd dat de katholieken na generaties van onderdrukking weer overeind krabbelden. Toen de gemeenteaard deze straatnaam vaststelde, was het befaamde Rijke Roomsche Leven sterk in ontwikkeling. Maar zeker zo belangrijk was dat Primus van Gils tot op de dag van vandaag een van de grootste zonen van Tilburg is. Dat hij zijn best deed op school heeft hem veel gebracht.
De zoon van Johanna Bruers en Jan van Gils werd in 1758 in de Nieuwlandstraat geboren. In die tijd was het absoluut niet vanzelfsprekend dat iemand onderwijs kreeg of verder ging leren en al helemaal niet in Tilburg. Als jongeren (vrijwel altijd jongens) in de Meijerij doorleerden, dan gingen ze naar Keulen, Leiden en Leuven. Maar het waren er niet veel die dat deden, in Tilburg een gemiddelde van 0,5 per jaar, lager dan bijvoorbeeld Den Bosch en Breda en vergelijkbaar met Oisterwijk en Eindhoven. Veruit de meeste Tilburgse studenten gingen van oudsher naar Leuven, zo ook Anthonius van Gils.
‘Wel je best doen hè’, zullen de moeders op deze Prent van 6 september 1958 hun kroost hebben nageroepen. De kinderen die zich op deze Prent na de zomervakantie voor de eerste schooldag op weg begeven, leefden in een tijd dat iemand van gewone komaf steeds meer kansen kreeg om zich door middel van het onderwijs te ontwikkelen. Toch zeker ook in Tilburg dat zelfs langzamerhand ‘Onderwijsstad’ werd, zoveel verschillende opleidingen telde de stad. De hele Babyboomgeneratie heeft zich daar aan opgetrokken.
Gestuuperd
Maar in de tijd dat Antonius van Gils naar school ging en ongetwijfeld door zijn moeder op dezelfde manier zal zijn ‘gestuuperd’ (gestimuleerd), lag dat totaal anders. Voor de middelbare school moest hij naar Turnhout. Tilburg had op dat gebied niks te bieden. Als de beste student van deze opleiding ging hij in Leuven naar de universiteit voor een studie aan de ‘Artesfaculteit’ (letteren en wetenshappen). Van de 122 studenten van het leerjaar 1779 werd hij op twintigjarige leeftijd na een zware wedstijd tussen de allerbeste studenten tot ‘Primus’ uitgeroepen, de allerbeste, de eerste – Primus van Gils.
Dat feit is in Leuven met enorme feesten gevierd. Heel de stad was daarbij betrokken en in Tilburg werd dat feest nog eens dunnetjes overgedaan. De briljante theologiestudent werd aan de grens van de heerlijkheid Tilburg en Goirle opgewacht door de graaf van Hogendorp. Een stoet van tweehonderd ruiters ging voorop richting Tilburg. Wegen en straten waren met vlaggen en bloemen versierd. Erebogen – daar waren de Tilburgers ook goed in - droegen opschriften met loftuitingen. Dagenlang werd in Tilburg feest gevierd met volksspelen en vreugdevuren. De Leuvense studenten en professoren verbroederden met de Tilburgers. In die sfeer is de zin boven aan deze aflevering ontstaan.
Hierna begon voor de Tilburger een indrukwekkende carrière, onder meer als hoogleraar in Leuven en stichter van het kleinseminarie en medeoprichter van het grootseminarie in Sint-Michelsgestel. In 1797 bezocht hij nog een keer Tilburg om bij notaris Isaac Bles vast te laten leggen dat hij afzag van zijn erfenis. Als reden gaf hij op, ‘de kosten welke zijn ouders ten zijnen opzigte van zijn jeugd af hebben moeten besteeden tot bevordering van studie en weetenschappen…’
Lof
Met andere woorden: zijn studie had zijn ouders al zoveel gekost, dat hij niet ook nog eens geld wilde erven. Geef dat maar aan mij broers en zussen, zei hij. In 1779 was Tilburg uitbundig in zijn lof voor Anthonius – Primus – van Gils:
‘Tilborgh waar ge ook op moogt roemen, dit zij tot meerd’ren lof,
Dat Vrouw Pallas (*) zulke bloemen heeft geplukt in uwen hof.’
(*) Godin van de wijsheid
