Ouderen kunnen het zich nog herinneren en jongeren kunnen zich er wellicht iets bij voorstellen: het fenomeen – het typisch Tilburgs fenomeen, mogen we wel zeggen - van ‘boven en onder de lijn’ . Nadat op 1 oktober 1863 vanuit de richting Breda de eerste trein in Tilburg arriveerde, had de spoorweg als logisch gevolg dat de rails een tweedeling in de bebouwde kom veroorzaakte.

Door Paul Spapens

Die tweedeling was in de eerste plaats verrèkkes onhandig, zoals de Tilburgers zeiden, omdat bijvoorbeeld het wachten voor de dichte overweg steeds langer duurde en vaker voorkwam naarmate de textielstad verder opstootte in de vaart der volkeren. De aanleg van het Hoogspoor, waarmee in 1957 werd begonnen, bracht daar verandering in. Sedertdien gaat de Tilburger via spoorwegonderdoorgangen over en weer naar ‘gene kaant’, dus naar de andere kant van het spoor.

Je zou mogen veronderstellen dat het in principe aan ‘swirskaante haorinder’ was aan deze of aan gene kaant van de lijn. Maar er groeide al snel enige animositeit tussen die van onder en van boven het spoor. Een typisch Tilburgs fenomeen was geboren, een eigenheid die zeker heeft bijgedragen aan de identiteit van die interessante stad die Tilburg is. De tweedeling had onder meer invloed op het dialect. In het stadse gedeelte, zeg maar d’n Heuvel en ’t Haakje en ommelanden, werd van de Tilburgers richting ’t Gurke en d’n Hasselt smalend gezegd dat ze ‘Stads meej Haajkaants’ spraken als ze ‘netjes’ probeerden te praten.

Scheef oog

Zulke vormen van met een scheef oog naar elkaar kijken en zich tegen elkaar afzetten werd ‘Pik en Pook’ genoemd. Soms liep dat uit op knokpartijen op de kermis bijvoorbeeld, typische kermisruzies die ook wel weer werden bijgelegd – het onderwerp van deze Prent van 12 mei 1967. Pik en Pook is een prachtige, volkse variant op animositeit – een voorbeeldwoord van ‘Stads meej Haajkaants…..’ Dit Pik en Pook was een hoogst interessant fenomeen. We schrijven ‘was’, in de verleden tijd, omdat het in deze betekenis bijna niet mee voorkomt. Maar ouderen kunnen nog genoeg voorbeelden geven van zulke situaties.

Zo was het Pik en Pook tussen Gilze en Rijen. Gilze is ouder, Rijen was een buurtschap dat bij Gilze hoorde enzovoorts. Het was dus logisch dat toen beide dorpen samen een gemeente gingen vormen het gemeentehuis in Gilze kwam. Het dorp kende verschillende gemeentehuizen. Het laatste, een prachtgebouw uit 1939, werd in 1944 door de Duitsers opgeblazen. Vooral als gevolg van de ligging aan het spoor en als gevolg daarvan industrialisatie, werd Rijen veel belangrijker. Het in 1961 geopende nieuwe gemeentehuis kwam dan ook in Rijen. Nou, dat was tegen het zekere been van die van Gilze – dit als voorbeeld van een ontstaan van Pik en Pook.

Aan de andere kant van de stad ligt Berkel-Enschot, waar het ook ooit Pik en Pook was, een situatie die, net als in Gilze en Rijen, onder meer werd gevoed door een gemeentehuis. Hiervoor leggen we ons oor te luisteren bij Rinus van der Loo, de wandelende erfgoed-encyclopedie van de mooie gemeenschap Berkel-Enschot. Hij neemt ons mee naar het adres Raadhuisstraat 56. Daar staat het voormalige raadhuis van de gemeente Berkel-Enschot – in 1997 heringedeeld bij de gemeente Tilburg. Het gebouw is een rijksmonument dat staat in Berkel. In dit Pik en Pook-verhaal is dat een belangrijk gegeven omdat het gemeentehuis eerder in Enschot stond.

Tussen de inwoners van beide dorpen was het Pik en Pook, onder andere terug te voeren op het feit dat het vroeger twee parochies waren. In 1876 werd een nieuw gemeentehuis gebouwd, het huidige rijksmonument. De toenmalige burgemeester Jan Baptist Adams zorgde er voor dat het recht tegenover zijn woonadres kwam te staan. Handig om tussen de middag tussen de vergaderingen door bij moeder de vrouw ffkes een bord pap te gaan eten. Toen de inboedel werd overgebracht gebeurde dat ’s nachts uit vrees voor consternatie in Enschot.

Moskouvreters

Berkelse mensen karakteriseerden de Enschottenaren in die tijd als ‘ijzig en koud’. Ze gaven hen de bijnaam ‘Moskouvreters’, misschien een verre echo van de rampzalige en ijskoude krijgstocht die Napoleon in 1812 ondernam. Die van Enschot riepen rond 1900 uitdagend/plagend ‘Enschot boven en Berkel heeft een oven’. In die tijd stichtte Leeke Swagemakers een steenfabriek in Berkel aan de rand van Enschot. Mensen die op de steenoven werkten werden als minderwaardig volk gezien.

Een straf voorbeeld van Pik en Pook tussen Enschot en Berkel deed zich voor toen rond de laatste eeuwwisseling de begraafplaats van Enschot te klein werd. De praktische mogelijkheid werd geopperd om de Enschottenaren op de begraafplaats van Berkel ter aarde te bestellen want daar was nog plaats genoeg. Gevraagd naar hun mening lieten vaste bezoekers van de begraafplaats van Enschot weten dat ze liever gecremeerd wilden worden dan begraven bij de buren. Stel je voor, een Enschottenaar die eeuwige rust moest vinden in Berkel…