Ik weet het, ik ben nog zo’n ouderwetse carnavalsvierder. Ik hoor er eigenlijk helemaal niet meer bij. Ik liep nog mee in een kinderpolonaise terwijl uit de krakerige boxen de muziek klonk van ‘Mien, waar is mijn feestneus’ en ‘Bloemetjesgordijn’. Ik had een boerenkieltje aan, een petje op, een opgerolde rode zakdoek, waarvan de twee uiteinden door de huls van een luciferdoosje werden gestoken. Mijn vader had rode wangetjes op mijn spierwitte gezicht getekend en een klein zwart snorretje. Wat was het toch eenvoudig allemaal.
Je ging gewoon als boer verkleed, dat kon toen allemaal nog. Vernikkelen op een carnavalswagen en na weer niet gewonnen te hebben, achter pa en ma de dampende kroeg in. De eerste minuten zag je niks door je beslagen brillenglazen en hield je je vast aan het puntje van de kiel van je vader. Eenmaal verdampt was er altijd chips, cola en snoep bij de vleet en was het leuk om geld af te troggelen van zatte kerels bij de wc's.
Overigens: de Twee Pinten zongen dan wel ‘Bij ons staat op de keukendeur, het is niet altijd rozengeur.’ Maar bij ons stond dat op de toiletdeur. En mijn vader schreef op het toilet ‘Ik heb iets op de keukendeur gezet.’ Dat was onze humor.
Het carnavalsfeest was nog van het Zuiden. De boven-de-rivieriërs waren nog in geen velden of wegen te bekennen. Maar ja, we geven ze tegenwoordig natuurlijk ook veel te veel verleidingen met die moderne, hardstyle carnavalsmuziek. Als we hier nou ook al van die verschrikkelijke gehoorbeschadigers als Baila Baila gaan bedenken, ja dan lok je ze gewoonweg deze kant op. Als Vieze Jack het zo nodig vindt om de hut te gaan verbouwen, tja, dan vraag je er zelf om.
Wij katholieken hebben het de laatste jaren te laagdrempelig gemaakt voor de protestanten. Als we gewoon waren blijven 'sjoenkelen', oftewel inhaken, dan waren de bovensloters met die harde G allang afgehaakt. Als we standvastig waren doorgegaan met 6/8 of 3/4 maatsoorten met eenvoudige teksten die gericht zijn op polonaise en hoempapa, dan hadden we die jaarlijkse protestante invasie met feesttoeristen van ons af kunnen houden. Als die Koningsdag-vierders ergens een hekel aan hebben dan is het wel om in een sliert achter elkaar aan te lopen. Laat staan achter ons aan.
Tijdens carnaval klinken ze nóg beroerder dan normaal, terwijl ze standaard al spreken alsof ze ‘n TIA hebben gehad. Carnaval is niet voor de ongelovige bovensloters. Die komen hier alleen maar corona oplopen en met hun leren boots aan stampen in de kroeg. Tussendoor staan ze stoïcijns voor zich uit te staren om langzaam stoned te worden. 'Agge maor leut het' gaat totaal aan hen voorbij.
Laat ze zich maar met de Gay Pride bezighouden, met Koningsdag, schaatsen in Thialf, het Zomercarnaval in Rotterdam of welke willekeurige EK of WK-wedstrijd van Oranje dan ook. Hoewel, ook dàn lopen wij Brabanders voorop in de leut.
