Het onderschrift bij deze Prent van Cees Robben vraagt enige uitleg in Tilburg. Als gevolg van industrialisatie en verstedelijking verdween de boerenstand al snel uit de stad, althans vergeleken met Udenhout, Berkel-Enschot en Biezenmortel. Als je schrijft voor een rubriek als deze valt het geregeld op dat in Tilburg onder de inwoners relatief weinig kennis valt te oogsten over het boerenleven.

Door Paul Spapens

Op deze Prent zie je dat twee, nogal stereotype getekende boeren, geld lenen bij de Rabobank. Als onderpand voor de lening hebben ze varkens en koeien. De medewerker van de bank zegt: prima, als je die beesten hier maar niet stalt. Waarop de twee boeren hem geruststellen met de opmerking dat hij daar geen kopziekte van zal krijgen, in dit geval bedoeld als een variant op kopzorgen. Kopziekte ontstaat onder koeien en schapen door een tekort aan magnesium. Bij koeien treedt de ziekte vaak op vroeg in het voorjaar als het gras nog weinig mineralen bevat.

“Dat is typisch iets wat onze pa had kunnen zeggen. Die kon heel gevat zijn”, aldus Joost Ketelaars. De in 1945 geboren Tilburger stuurde deze Prent naar Stadsnieuws nadat we een paar maanden geleden alweer een oproep hadden gedaan om Prenten die Cees Robben had gemaakt voor particulieren. Die maakte hij wel vaker, maar het blijkt dat er toch niet veel van bewaard zijn gebleven en daarom zijn ze zeldzaam.

Het is bekend dat veel lezers van deze rubriek in Stadsnieuws de Prenten uitknippen of zelfs de hele pagina’s bewaren. Deze liefhebbers scoren met deze Prent dus een zeldzaam exemplaar. En Joost Ketelaarts vertelt er graag het verhaal bij. De Prent dateert van januari 1978. De vader van Joost, Jan Ketelaars, kreeg de Prent aangeboden bij zijn afscheid van de Rabobank Tilburg. Onder zijn acht kinderen wordt de gelegenheidsprent gekoesterd want ze hebben allemaal een kopie.

Tijdens zijn carrière bij de bank maakte Jan Ketelaars het mee dat in 1972 de coöperatieve Boerenleenbank fuseerde met de coöperatieve Raifeissenbank en samen als Rabobank verdergingen. Tilburg kent twee straten die aan deze voorloperbanken herinneren: de Raifeissenstraat en het Pater van den Elsenplein, beide in Tilburg Zuid. Daar liggen meer land- en tuinbouw gerelateerde straten. Zo loopt de Jan Truijenlaan tot aan de Bloemisterijstraat. Jan Truijen was een van de pioniers van de inhaalslag die de Brabantse boeren maakten. Pater van den Elsen was de grote gangmaker.

Boerenapostel

Dat leverde hem de eretitel ‘Boerenapostel’ op. Hij was onder meer oprichter van de Boerenleenbank. Gerlacus van den Elsen, Witheer van de Abdij van Berne, besefte dat de Brabantse boeren extern geld nodig hadden om verder te komen. Eind negentiende en begin vorige eeuw werd steeds meer duidelijk dat de traditionele bedrijfsvoering niet langer levensvatbaar was. Nodig waren onder meer een grotere veestapel, kunstmest, een betere grondbewerking.

Dat vergde extra investeringen. Maar dat geld hadden de boeren niet. Enerzijds omdat hun boerderijkes te weinig opleverden, anderzijds omdat Brabantse boeren per traditie geen vreemd geld leenden, gewend als ze waren eerst geld te sparen alvorens het uit te geven. De Boerenleenbank heeft deze zeer noodzakelijke ontwikkeling mede mogelijk gemaakt.

De Boerenleenbank was in handen van de boeren. Zo kon het gebeuren, dat toen Jan Ketelaars afscheid nam en deze Prent kreeg, werd gememoreerd dat met zijn vertrek een einde kwam aan 75 jaar betrokkenheid tussen de familie Ketelaars en de Boerenleenbank/Rabobank. Met deze drie generaties werden bedoeld: een oudoom, de vader van Jan en Jan zelf. Alle drie waren boer geweest, alle drie waren ze kassier, de functionaris die het coöperatieve geld van de bank beheerde alsof het zijn eigen geld was.

Verstedelijking

Jan Ketelaars werd geboren op een boerderij die stond aan de Enthovenseweg, een nog steeds bestaand straatje tussen Spoorlaan en Nieuwe Bosscheweg. Zoals vrijwel alle boerderijen in Tilburg werd deze geofferd aan de verstedelijking. In 1943 werd Jan Ketelaars, die eerst nog zijn vader had geholpen met boeren, kassier van de Boerenleenbank. De bank was toen gevestigd in een gewoon woonhuis aan de Groenstraat. Kassier was een serieuze functie omdat hij geld ontving en contact uitgaf. Voor leningen, waar deze Prent ook over gaat, moest het bestuur zijn fiat geven.

Jan Ketelaars moet veel contacten hebben gehad met boeren en het is goed voorstelbaar dat het in de tekst beschreven voorval waar is gebeurd. Rest nog de vraag of de kassier op de Prent op zijn vader lijkt? Joost Ketelaars: “Sprekend, niet echt, maar wel dat ik zoiets heb van ‘dès onze pa…”

Mocht iemand nog een particuliere Cees Robben-Prent hebben, we houden ons aanbevolen!

.